Opa vertelt…

Meer Opa vertelt
Meer Opa vertelt

Gisteren ontving ik het boek “De eeuw van de computer” van uitgeverij Kluwer over honderd jaar IT in Nederland en kon me bijna niet voorstellen dat nog geen 150 jaar terug de schrijfmachine nog maar net was uitgevonden en de digitalisering inderdaad nog maar relatief kort bestaat.
Mijn eerste programmeerervaringen (met ponskaarten in Pascal) en het eerste college programmeren door prof. Whitfield staan me nog helder voor de geest. Dat college staat overigens centraal in een verhaal dat ik een aantal jaren terug schreef voor de FMF-almanak en ik hieronder nog een keer aanhaal.

Eén en ander hebben me doen besluiten een nieuwe rubriek in deze weblog te introduceren waarin ik op onregelmatige tijden wat herinneringen aan mijn beginjaren in het programmeren en computertijdperk zal proberen te verwoorden.

De tijd zal het leren.
Vroeger
We spreken 1977. Eerstejaars wiskundestudent R. zoekt een plaatsje in de steil oplopende collegezaal van het LAN . Het balkon van de zaal is afgesloten (te gevaarlijk om daar nog plaats te nemen vanwege instortingsgevaar). De docent, de eerste hoogleraar informatica in Groningen, begint zijn tweede college inleiding informatica met een korte uitleg over het begrip recursie en onderbouwt de theorie met een voorbeeld over het recursief evalueren en differentiëren van expressies met behulp van de programmeertaal Pascal. In een mum van tijd staat het bord vol met losse Pascal statements, een enkele volledige procedure en veel pijltjes en halve uitvegingen en doorhalingen. R. heeft moeite het betoog te volgen. Met Engelse tongval meldt de docent nog om bij recursie niet alle stappen na te gaan spelen, maar op een wiskundige en logische manier over de zaken na te denken. Vanavond de gemaakte aantekeningen nog maar eens goed nalezen…
R. vraagt zich af waar zijn medestudente T. is. Gisteren na het stappen voelde zij zich niet zo lekker. Na het college zoekt R. een telefooncel en belt met T.: geen gehoor. Dan maar even langs haar kamer. Hij moet toch nog die kant op om geld te halen bij de bank. Er staat een lange rij voor de balie. Ach ja: de meeste mensen hebben natuurlijk net vandaag hun vakantiegeld gekregen. Dan naar de kamer van T. Op de deur prijkt een briefje: “vandaag naar Utrecht. Pa is jarig”. Ach ja, dat is ook zo. T. had het er gisteravond nog over. Helemaal voor niks zorgen gemaakt.

De dag erna is R. in het rekencentrum te vinden. Hij neemt plaats achter een ponsmachine, een enorme typemachine die gaatjes stanst in kartonnen kaarten van zo’n 10 bij 20 cm. Elke kaart bevat één regel Pascalcode, elke kolom op de kaart bevat een aantal rechthoekige gaatjes die tesamen één symbool voorstellen. R. heeft lang nagedacht over zijn programma en heeft het al volledig op papier uitgewerkt. Het programma is in totaal zo’n 100 ponskaarten groot. Tot slot ponst hij nog een drietal kaarten voor de bij het programma horende input, stopt er de nodige end-of-file en end-of-job kaarten tussen en loopt ermee naar de rekenhal. Achter de balie staan allerlei glimmende kasten, waarvan een aantal voorzien zijn van grote magneetbanden die onregelmatig en schokkend ronddraaien.
Onderweg stoot een voorbijganger hem aan: de stapel kaarten valt uit zijn hand. Na een stevige vloek blijkt de schade mee te vallen: de stapel is nagenoeg zonder uiteen te vallen op de grond terechtgekomen en na een paar minuten heeft hij alle kaarten weer op volgorde.
Hij heeft geluk: het aantal economiestudenten, dat vandaag statistiekproblemen moet oplossen, is niet groot. Hij kan direct doorlopen naar de zelf te bedienen ponskaartlezer. Gelukkig maar: vorige week nog was dat ding kapot en moest hij zijn stapel inleveren aan de balie. Toen kon hij pas na de lunch zijn uitvoer ophalen uit de rekken.
Het kost slechts een handvol seconden om alle kaarten door de machine te laten lezen. Wat gaat dat toch lekker snel. Nu naar de regelprinter. Helaas: die paar economiestudenten hebben toch wel een hoop uitvoer gegenereerd: het ene naar het andere WESP-logo komt uit de regeldrukker met daarachter vellen vol getallen. Na 25 minuten komt zijn uitvoer eindelijk uit de printer. Jammer, toch nog een tweetal kaarten in de verkeerde volgorde blijkbaar, want op de vellen blijkt een syntaxerror-melding te staan. Herorderen van de stapel (en opnieuw ponsen van regel 35, daar miste nog een puntkomma) en weer de stapel door de lezer. Al na 15 minuten spugt de regeldrukker zijn uitvoer uit en voila: gelukt! Op het grote vel papier staat netjes, een beetje verloren in de linkerbovenhoek, het getal 1234, de uitkomst van de geprogrammeerde rekenpartij. Prima. Opdracht klaar, uitvoer inleveren bij de docent en op naar het volgende college.

Nu
We spreken 2004. Eerstejaars informaticastudent S. is wat aan de late kant. Gehaast komt hij vijf minuten te laat de collegezaal in. De docent was nog niet echt begonnen: zijn laptop heeft nog moeite met het herkennen van de beamer. De docent zweet, prutst, vloekt inwendig, en dan ineens is er beeld op het scherm. De voorstelling kan beginnen.
In sneltreinvaart komt er een verhaal voorbij over hoe je nu eigenlijk moet programmeren: eerst goed nadenken, probleem analyseren, grote lijnen ontdekken, ontwerp maken en pas helemaal aan het eind de code intikken. De docent vertelt nog een vaag verhaal over kaarten met gaatjes en dat je vroeger regel voor regel goed over je code nadacht voordat je het uitprobeerde: er was anders zo weer een hele dag verspeeld.
Er trilt wat in de broekzak van S: zijn mobieltje. Op het scherm verschijnen een aantal foto’s van jongelui op het strand van Spanje. Was S. nu maar meegegaan. Zijn vrienden hebben zo te zien de grootste lol.

Na 45 minuten college houdt S. het voor gezien. De afdrukken van de slides kan hij ook op Nestor vinden. Hij neemt de bijna lege harmonicabus terug naar de stad en zit al voor half elf achter zijn eigen computertje. Gelukkig, de netwerkstoring van gisteren is opgelost en dat is te merken: de mailbox staat vol met twee dagen mail. Het filter heeft uit de 200 mailtjes liefst 180 junkmailtjes gefilterd. De 20 resterende mailtjes bevatten er ook nog eens vier: waarom is dat filter niet wat intelligenter? Overigens, die ene waarbij je tegen betaling een universitair diploma kunt krijgen houdt hij nog maar even achter de hand: als het met de studie straks toch niks wordt kan hij zo toch misschien nog zijn ouders overtuigen.
Zou zijn vriendin al wakker zijn? Ja hoor, ze is al online. Snel even wat lieve woordjes MSNen. Of hij vanavond tapas wil eten in de stad? Oei, even kijken op de postbanksite of zijn studiefinanciering al weer is bijgeschreven. Gelukkig. Zo’n avondje stappen is altijd erg gezellig. Zal wel weer een latertje worden dus. Dan morgen maar even geen college programmeren. Wat een onzin, nadenken voordat je programmeert: gewoon even wat aanklooien achter het toetsenbord en die simpele eerstejaarsopgaven zijn zo klaar. En anders kan hij altijd nog een diploma kopen…

verduidelijkingen:
– de vrijheid van de schrijver kan de werkelijkheid wat geweld aandoen
– in 1997 bestond er nog geen opleiding informatica
– LAN = laboratorium Algmene Natuurkunde, is nu deels afgebroken en in gebruik bij het Noorderpoortcollege als “Het Kasteel”
– WESP = waarlijk eenvoudig statistisch programma (in Groningen ontwikkeld statistiekprogramma)

Onlangs verscheen: De tijd zal het leren deel 3.

2 reacties op “Opa vertelt…

  1. Mogelijk vergis ik me hier, maar in herinnering denk ik aan economen en bedrijfskundigen. Sociologen en psychologen zou echter ook best kunnen. Laten we het dan maar houden op de eerste opmerking in de verduidelijkingen: vrijheid vn de schrijver.