BttF: telefoon
De Duitse Johann Philip Reiss wordt wel gezien als de ontdekker van de telefoon in 1860. De Schots-Amerikaanse uitvinder Alexander Graham Bell vraagt in 1876 patent aan op een verbeterede versie.
Op 10 maart 1876 vindt het eerste telefoongesprek plaats en spreekt Bell de legendarische woorden: “Mr. Watson, come here. I want to see you.”

Op 1 juni 1881 opent de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij (NBTM) in Amsterdam het eerste telefoonnet van Nederland. Dat is op de zolder van Sociëteit de Groote Club op de Dam. Telefoniste mejuffrouw M. Scholten voert het eerste telefoongesprek met de woorden: “Ik verbind u door”. Er zijn 49 aansluitingen. Minstens honderd bedrijven en personen staan op de wachtlijst. Telefoonnummers hebben twee of drie cijfers. De eerste toestellen hebben een slinger waarmee verbinding met de telefoniste gemaakt kan worden en die maakt dan handmatig via een schakelpaneel verbinding.
In 1925 wordt in Haarlem de eerste automatische telefooncentrale in gebruik genomen en kunnen bellers met een kiesschijf zelf verbinding maken. In 1928 wordt de PTT opgericht, het staatsbedrijf van Post, Telegrafie en Telefonie.
Dan verschijnen ook al snel de eerste telefooncellen (de eerste in 1931 in Amsterdam).
Wij kregen onze eerste telefoon begin jaren zestig. Daarvoor waren we aangewezen op telefooncellen, waarvanuit je (na inwerpen van een of meerdere muntjes) kon bellen. Op deze manier belde je bijvoorbeeld met je huisarts als er iemand ziek was.

Er waren een beperkt aantal cellen per wijk en dus moest je soms even wachten voor je aan de beurt was (let in deze foto overigens ook eens op de kledendracht: in de jaren 60 van de vorige eeuw waren hoofdoekjes voor Nederlandse vrouwen nog heel gewoon, mijn moeder droeg er ook regelmatig een en bij regen een speciaal regenkapje).

Zoals gezegd kregen wij begin jaren zestig onze eerste telefoon. Nog een wandmodel met vaste draad naar de meterkast waar de aansluiting was. In die tijd waren vier cijfers voldoende om iedereen in Harlingen te bellen. Ons nummer was 5905. Op hetzelfde moment kregen een tante van mij (nummer 5904) en een oom van mij (nummer 5906) eveneens telefoon en kon er binnen de familie met elkaar worden gebeld…
De telefoons hadden een zg. vaste aansluiting, een kabeltje met daarin vier gekleurde draden waarvan er feitelijk maar twee echt werden gebruikt. Je kon extra telefoons aansluiten door deze parallel te verbinden. Voordeel (of nadeel) daarvan was dat als je met het ene toestel mee kon luisteren en praten met het andere.
Later heb ik nog een tijdje een heel moderne telefoon gehad, rood van kleur en eigenlijk alleen een hoorn. De draaischijf zat verstopt aan de onderkant.

Voor mijn werk aan de RUG werkte ik vaak eens per week thuis. Bij mooi weer deed ik dat dan buiten in de tuin. Om toch bereikbaar te zijn hing er dan een lange kabel uit het raam naar de tuin om zo de telefoon toch te kunnen verbinden en gebruiken.
In de jaren zeventig kwam de druktoets-telefoon en hoefde je niet meer te draaien om een nummer te kiezen. Toen kwamen ook allerlei diensten die je telefonisch kon gebruiken zoals de telewekker en later, toen de telefoon ook een display kreeg, kon je ook zien wie er belde.

Zo rond 1995 kochten we een zg. Dect-set van drie telefoons die handfree (alleen het hoofdapparaat moest nog met een kabeltje verbonden worden) te gebruiken waren en waarmee je ook intern onderling kon bellen.
Tijdens mijn reizen i.v.m. congresbezoek ging bellen naar huis in eerste instantie vaak via de telefoon en dus de receptie van het betreffende hotel. Later kwamen er zg. belkaarten, waarmee je in het buitenland (nadat je eerst een gratis nummer had gebeld) de gesprekskosten via die kaart kon verrekenen.
Vanaf eind jaren negentig van de vorige eeuw gingen de ontwikkelingen snel en kwamen de eerste mobiele telefoons op de markt, in eerste instantie nog als hele grote apparaten (de zg. autotelefoons), later kleiner en in je broekzak mee te nemen. De nokia is daarvan natuurlijk het bekendst. Niet veel later kwamen de smartphones met steeds meer mogelijkheden. Tegenwoordig kan niemand meer zonder zo’n smartphone en zijn de mogelijkheden eindeloos: van gebruik van allerlei apps, navigatie, je agenda bijhouden, spelletjes spelen, social media enz. enz. Bellen met een smartphone is tegenwoordig bijna bijzaak.
