BttF: telefoon

Al begin van de 20ste eeuw was er een vorm van telefonie, toen nog iets van 75000 abonnees, aldus wikipedia. Telefoneren ging in eerste instantie door verbinding te maken met een centrale en dan door te geven met wie je wilde bellen. Later kon je dat zelf door via een draaischijf (de zg. kiesschijf) een nummer te draaien, d.w.z. achtereenvolgens de cijfers van het telefoonnummer dat je wilde bellen.
Wij kregen onze eerste telefoon begin jaren zestig. Daarvoor waren we aangewezen op telefooncellen, waarvanuit je (na inwerpen van een of meerdere muntjes) kon bellen. Op deze manier belde je bijvoorbeeld met je huisarts als er iemand ziek was.

Er waren een beperkt aantal cellen per wijk en dus moest je soms even wachten voor je aan de beurt was (let in deze foto overigens ook eens op de kledendracht: in de jaren 60 van de vorige eeuw waren hoofdoekjes voor Nederlandse vrouwen nog heel gewoon, mijn moeder droeg er ook regelmatig een en bij regen een speciaal regenkapje).

Zoals gezegd kregen wij begin jaren zestig onze eerste telefoon. Nog een wandmodel met vaste draad naar de meterkast waar de aansluiting was. In die tijd waren vier cijfers voldoende om iedereen in Harlingen te bellen. Ons nummer was 5905. Op hetzelfde moment kregen een tante van mij (nummer 5904) en een oom van mij (nummer 5906) eveneens telefoon en kon er binnen de familie met elkaar worden gebeld…
De telefoons hadden een zg. vaste aansluiting, een kabeltje met daarin vier gekleurde draden waarvan er feitelijk maar twee echt werden gebruikt. Je kon extra telefoons aansluiten door deze parallel te verbinden. Voordeel (of nadeel) daarvan was dat als je met het ene toestel mee kon luisteren en praten met het andere.
Later heb ik nog een tijdje een heel moderne telefoon gehad, rood van kleur en eigenlijk alleen een hoorn. De draaischijf zat verstopt aan de onderkant.

Voor mijn werk aan de RUG werkte ik vaak eens per week thuis. Bij mooi weer deed ik dat dan buiten in de tuin. Om toch bereikbaar te zijn hing er dan een lange kabel uit het raam naar de tuin om zo de telefoon toch te kunnen verbinden en gebruiken.
In de jaren zeventig kwam de druktoets-telefoon en hoefde je niet meer te draaien om een nummer te kiezen. Toen kwamen ook allerlei diensten die je telefonisch kon gebruiken zoals de telewekker en later, toen de telefoon ook een display kreeg, kon je ook zien wie er belde.
Zo rond 1995 kochten we een zg. Dect-set van drie telefoons die handfree (alleen het hoofdapparaat moest nog met een kabeltje verbonden worden) te gebruiken waren en waarmee je ook intern onderling kon bellen.

De ontwikkelingen gingen vervolgens snel: al snel kwamen de eerste mobiele telefoons op de markt, in eerste instantie nog als hele grote apparaten (de zg. autotelefoons), later kleiner en in je broekzak mee te nemen. De nokia is daarvan natuurlijk het bekendst. Niet veel later kwamen de smartphones met steeds meer mogelijkheden. Tegenwoordig kan niemand meer zonder zo’n smartphone en zijn de mogelijkheden eindeloos: van gebruik van allerlei apps, navigatie, je agenda bijhouden, spelletjes spelen, social media enz. enz. Bellen met een smartphone is tegenwoordig bijna bijzaak.

Geef een reactie